|
De plaatsen en personen in dit boek zijn echt. In verband
met de privacy zijn de namen van enkele personen veranderd
Met dank aan Rudy en Marilène.
De tijd die blijft, maar wij gaan voorbij.
Inleiding.
Het heeft al weken niet geregend. De lucht trilt
van de hitte. De gewassen staan verschroeid op het land. Het
is broeierig. Tegen de middag wordt het stil om de boerderij.
De vogels zingen niet meer, maar hebben een schuilplaats gezocht.
Een geheimzinnige dreiging hangt in de lucht. Het strakke
blauw van het heelal verandert in een getemperd grijs, waar
het zonlicht nog maar moeilijk doorkomt Aan de horizon pakken
zich donkere wolken samen. Af en toe rommelt het in de verte.
In de voorkamer van de boerderij ligt de boerin in het kraambed.
De boer is 's morgens naar de stad gereden om de dokter te
waarschuwen. Bij thuiskomst is hij even in de voorkamer om
te zien hoe zijn vrouw het maakt, maar lang blijft hij niet.
Mannen horen niet in de kraamkamer. Zenuwachtig loopt hij
van de stal naar de schuur en even later is hij weer een ogenblik
in de keuken en kijkt hij in de krant zonder iets te lezen.
De deurtjes van de bedstee staan halfopen en de baker heeft
een raam een beetje omhoog geschoven zodat er wat frisse lucht
binnen kan komen. Nu het noodweer snel dichterbij komt, heeft
de boer de luiken voor de ramen gesloten en met ijzeren pinnen
vastgezet. Het is schemerdonker in het vertrek, dat slechts
verlicht wordt door een petroleumlamp en de vlam van een flakkerende
kaars, die de boerin heeft laten aansteken in verband met
het naderend onweer.
De vrouw heeft al drie kinderen, twee jongens en een meisje
en hoewel ze maar klein en tenger gebouwd is, waren er toen
geen geboorteproblemen. Het ging altijd goed. Nu duurt het
te lang. Ze voelt zich ziek en is bang voor wat komen gaat.
De stilte wordt verbroken door voetstappen op de gang. Zachtjes
gaat de deur op een kier open:
"In de verte zie ik het rijtuig van de dokter al aankomen,"
zegt het dienstmeisje.
Als de eerste grote druppels op de stenen van de binnenplaats
uiteenspatten, komt de dokter met paard en wagen het erf opgereden,
waar de knecht al klaar staat om de dokter behulpzaam te zijn.
Hij pakt het paard voor bij de teugels en zegt:
"Ik zorg wel voor het paard. Gaat U maar vlug naar binnen,
want de bui barst los."
5
Snel pakt de dokter zijn koffertje en haast zich naar de
openstaande deur, waar het dienstmeisje al staat te wachten.
De regen valt nu bij stromen neer. De knecht spant het paard
uit en zet de fiere halfbloed op stal. Trui Trap heeft ondertussen
een grote waskom met warm water klaargezet, zodat de dokter
zijn handen kan wassen. De dokter is geen Brabander, maar
komt van boven de grote rivieren en is zeer gezien. Al vijfentwintig
jaar doet hij tot ieders tevredenheid de praktijk.
Kort en bondig stelt hij de gebruikelijke vragen. De vruchtvliezen
zijn al enkele uren geleden gebroken, maar de geboorte vordert
niet. De dokter trekt zijn jas uit, stroopt de mouwen van
zijn overhemd omhoog en wast zijn handen. Met zijn rechterhand
gaat hij in de schede om een inwendig onderzoek te doen. Het
hoofdje is al ingedaald, maar de schouders komen niet goed
door het bekken. Nadat de baker een verlostang heeft uitgekookt,
brengt de dokter het instrument voorzichtig om het kopje en
trekt onderbegeleiding van de rechterhand het hoofdje in de
geboorteweg en commandeert op gebiedende toon:
"En nu persen," terwijl hij behoedzaam aan het kindje trekt.
De vrouw is ten einde raad.
"Nog een keer goed persen," schreeuwt de dokter. Met al de
kracht die in haar is, spant zij haar buikspieren en met een
hartverscheurende kreet van pijn en blijdschap, komt het kindje
ter wereld.
Dodelijk vermoeid laat de vrouw zich in de kussens terugvallen.
Een nieuw mensje is geboren.
"Het is een gezonde jongen. Gefeliciteerd," zegt de dokter
en legt de kleine boreling, nadat de baker het kindje gereinigd
heeft, op een kussen, naast de moeder, die vermoeid, maar
voldaan en gelukkig glimlachend toekijkt. Tijdens de verlossing
is het noodweer in alle hevigheid losgebarsten en nu de spanning
binnen de kamer is weggevallen, beseft men pas hoe de elementen
buiten tekeer gaan. Het bliksemt voortdurend en de donderslagen
ratelen over de boerderij.
Tussen de donderslagen hoort men het gekrijs van de pasgeborene.
Het huilen houdt pas op als de kleine de borst van zijn moeder
gevonden heeft en gulzig en smakkend werkt hij de melk naar
binnen, om vervolgens vermoeid in slaap te vallen. Het is
de dertiende van de zomermaand 1925 vier uur in de namiddag.
Na een half uur is de bui uitgeraasd. En als het paard weer
voor het rijtuig gespannen is, rijdt de dokter terug naar
de stad.
De kamer wordt door de baker en het dienstmeisje netjes opgeruimd
en nu kan de vader de gezinsuitbreiding gaan bewonderen.
Verschillende malen heeft mijn moeder dit verhaal verteld.
Hoe ik tijdens een hevig onweer ter wereld kwam en dat het
de moeilijkste bevalling was geweest, die zij had meegemaakt.
De boerderij waar ik geboren ben, ligt aan een stille landweg
een half uurtje ten zuiden van de stad en enkele kilometers
van de Belgische grens. Verscholen tussen groen, is het een
eiland van rust. Achter de boerderij liggen de moestuin en
de boomgaard. Tussen de boomgaard en de landerijen stroomt
een beekje, dat het water van de hoger gelegen bossen van
het landgoed "Visdonk" afvoert naar het westen.
Wat ik me nog kan herinneren uit mijn kinderjaren zijn de
verkenningstochten, die ik samen met mijn twee jongere zusjes
maakte op en om de boerderij. We vingen 's zomers stekelbaarsjes
en salamanders met mooie oranje buiken. Ook herinner ik mij
nog goed hoe bang we waren van de grote watertorren en die
vieze, zwarte bloedzuigers. In de hooiwei wemelde het van
de vlinders, die in allerlei vormen en kleuren kriskras door
elkaar vlogen. Mijn moeder noemde ze piekkappellen. Die naam
piekkapel is toch veel mooier dan vlinder?
Waar het gras al gemaaid was, rook het lekker naar hooi. De
landerijen werden omzoomd door houtwallen. Zangvogeltjes hadden
hier een rustige broedplaats en voor hun voedsel was het weiland
en het water vlakbij. Voor ons lag hier ook de grens die niet
overschreden mocht worden. Erachter begon een vreemde, onbekende
wereld.
Op de boerderij woonden ook een knecht en een dienstmeisje,
die helemaal in het gezin waren opgenomen. Altijd in de weer.
De enige vrije tijd was van 's zondags na de vroegmis totdat
het donker werd. Als het mooi weer was en ze 's zondags naar
huis gingen, mochten wij soms achter op de fiets mee. De ouders
van Marieke woonden op een keuterboerderijtje. Na een uur
fietsen kwamen we bij een groot ven.
"Kijk, daar wonen wij," riep Marieke en ze wees naar een huisje
aan de overkant van het water. Op zo'n dag kwam je in een
andere wereld en door de vele nieuwe indrukken, die je opdeed,
had je het gevoel, dat de tijd veel langzamer ging. Het liefst
reed ik echter met Willem mee.
7
De vader van de knecht was boswachter op het landgoed van
Carliër.
Midden in de uitgestrekte bossen stond een prachtig jachthuis.
Het was net een kasteel. Al in de verte zag je de hoge toren
boven het groen uitsteken. Een grote toegangspoort leidde
naar de binnenplaats en er waren wel dertig kamers. In een
gedeelte van de westelijke vleugel was de boerderij. Als ik
dan 's avonds, achter op de fiets naar huis reed, zag ik in
mijn fantasie dappere ridders te paard door de bossen rijden
en elke donkere boomgroep in de verte was een kasteel.
Ik zal ongeveer een jaar of vier geweest zijn, toen ik met
mijn twee oudere broers mee mocht. We gingen naar een jongen
in de buurt. Hij had een oude motor gekocht en was deze aan
het opknappen. We waren nog maar net bij de schuur aangekomen,
toen de machine gestart werd. Met een hels lawaai en een enorme
rookontwikkeling sloeg de motor aan. Bezeten van angst rende
ik in paniek naar huis. Voorlopig mocht ik niet meer op stap
met mijn oudere broers. Die angst voor de onbekende wereld
is me lang bijgebleven. Een zekere schuwheid voor alles wat
vreemd en nieuw voor mij was ben ik nooit kwijtgeraakt.
Hetzelfde jaar gebeurde er iets wat diep in mijn geheugen
is gegrift. Op een woensdagmiddag was ik in de tuin en hoorde
ik bij de brandkuil een steljongens luidruchtig met iets bezig.
Ik ging kijken en zag dat ze een egeltje, dat zich had opgerold,
met een stok in de richting van het water duwden. De dichte
begroeiing was er echter de oorzaak van dat het beestje met
zijn scherpe stekels in het gras vast bleef zitten. Met de
blote handen aanpakken ging ook niet, want de stekels waren
veel te scherp. Een van de grotere jongens verzamelde wat
papier en droog gras en rolde het diertje op de brandstapel
en met een lucifer stak hij de boel in brand. Toen de egel
de hitte van het vuur niet meer kon verdragen, maakte hij
zich uit de voeten. In zijn haast viel hij van de kant en
rolde in het water. Egels kunnen goed zwemmen, maar toen hij
aan de kant wilde komen, duwde een van de jongens het arme
beestje met een stok terug. Tot overmaat van ramp bleef het
met zijn pootjes in de waterplanten steken, zodat het diertje
hopeloos verstrikt raakte.
8
Een van de jongens kreeg medelijden en trachtte met een stok
het egeltje te bevrijden.
Ik was ondertussen naar huis gelopen om een schepnetje te
halen. De pogingen om de egel met een stok uit zijn benarde
positie te bevrijden mislukte, omdat het egeltje steeds van
de stok afgleed. Met mijn visnetje haalde ik het diertje zo
gauw mogelijk uit het water en legde het op het droge Maar
het had te lang geduurd. Het egeltje was dood. Toen de jongens
weg waren, heb ik samen met mijn jongere zusjes het arme diertje
bij een rozenstruik in de tuin begraven.
Naar de bewaarschool.
Om alvast een beetje te wennen aan de lagere school, die
in september begon, gingen de meeste kinderen in mei eerst
drie maanden naar de bewaarschool bij de nonnen. Ik was nog
nooit in het klooster geweest, maar ik wist van mijn oudere
zus dat het klooster ver weg was, nog voorbij de kerk.
's Morgens gingen we al vroeg op stap. Op de weg bij de boerderij
was nog weinig verkeer. Auto's konden hier niet hard rijden,
want de ijzeren banden om de houten wielen van de boerenkarren
hadden diepe sporen achtergelaten in het mulle zand. Omdat
het niet druk was kon ik nog lopen waar ik wilde. Heel de
weg was voor mij. Hier hoefde ik nog niet goed op het verkeer
te letten, want er was bijna niemand op de weg. Soms liep
ik een eindje vooruit, dan bleef ik weer een klein beetje
achter, maar toen we wat dichter bij de stad kwamen en het
drukker werd, pakte ik toch maar de hand van mijn zus. Hoe
dichter we bij de school kwamen, hoe meer huizen er stonden.
Allemaal mooi netjes naast elkaar. Voor de huizen lagen tegels.
"Dat is de stoep," zei mijn zus. "Daar moetje bij het spelen
altijd opblijven. Hier komen geen auto's of fietsers."
Haastige mensen liepen ons voorbij. Allemaal dezelfde kant
op. Bij de kerk gingen we door een brede straat, met aan de
kant grote bomen. Er liepen steeds meer kinderen en eindelijk
zag ik in de verte het klooster. Een groot mooi gebouw met
veel ramen en in het midden een spits torentje. Een grote
ijzeren poort gaf toegang tot het schoolplein, waar spelende
kinderen joelend en schreeuwend kriskras door elkaar renden.
9
De deuren, die toegang tot het klooster gaven, stonden wijd
open. Onwennig en nieuwsgierig keek ik om me heen. -
"Het is al laat. We moeten opschieten," zei m'n zus en gehaast
trok ze mij naar binnen.
De gang was leeg en lang. Ik keek m'n ogen uit. De echo van
mijn kletterende klompjes weergalmde in de gang. De witgekalkte
muren werden op regelmatige afstand onderbroken door donkere
deuren. Daartussen zaten rijen zwarte kapstokjes. Af en toe
drong vanuit een leslokaal het geluid van heldere kinderstemmetjes
tot de gang door. Toen de klok negen uur sloeg, duwde mijn
zus mij in een deuropening en zei:
"Hier is het, tot vanmiddag," en ze liep vlug naar haar eigen
klas. Nieuwsgierig keek ik rond. Er waren vier rijen banken,
waarin alleen maar jongetjes zaten. Slechts een enkele plaats
was nog open. Een kindje zat zachtjes te snikken. Bij de lessenaar
stond een vrouw met de zuster te praten. Ik voelde me alleen
en verlaten en toen de eerste tranen over m'n wangen biggelden,
kwam de zuster met uitgestoken hand naar me toe en zei:
"Ik ben Soeur Felicité en hoe heet jij?"
Ze nam mijn hand in de hare. Verwonderd keek ik naar haar
grijswitte hand, waarop de blauwe aderen schril afstaken tegen
de blanke huidskleur.
"Ik heet Jacques," ze ik en ik keek naar haar op, naar haar
gezicht, naar haar vriendelijk lachende ogen. De rest van
haar hoofd, hals en haren was verborgen achter een strakke
witte doek en daaroverheen droeg zij een grote zwarte kap.
Zonder erbij na te denken zei ik spontaan:
"Ik dacht, dat U de heilige Maria was, die ziet er ook zo
uit." De zuster begon te lachen en terwijl ze zachtjes in
mijn hand kneep zei ze:
En, hoe heet je nog meer?" Met mijn gedachten nog helemaal
bij de hemelse verschijning, kwam ik weer terug op aarde en
terwijl ik een verfrommeld papiertje uit m'n broekzak opdiepte,
zei ik:
"Dit heeft mijn moeder mij gegeven," en ik reikte haar het
briefje aan. Ze streek de kreukels eruit en las zachtjes voor:
10
Eerwaarde zuster,
Dit is mijn vierde kind dat ik aan U toevertrouw
Zijn naam is Jacques.
Met de meeste hoogachting,
de boerin van de Zandhoeve.
Ze vouwde het briefje op en legde het in de
lessenaar. De zuster keek de klas rond om een plaatsje te
zoeken en bracht mij toen naar een bank, waar nog maar één
jongen in zat. Simon heette hij en ik herinner mij nog goed
dat hij een geruite bloes aan had met rood en groen erin.
Na mij kwamen er nog tweejongens en bijna alle lege plaatsen
waren nu bezet. De zuster begon ons het Weesgegroet te leren.
De zuster zei woord voor woord voor en heel de klas moest
het in koor nazeggen. Daar mijn vader elke dag na het avondeten
het Rozenhoedje voorbad, wat door heel het gezin werd nagebeden,
kon ik mijn stem bij het nazeggen goed laten horen. Daarna
hebben we nog geleerd hoe je matjes moest vlechten met papieren
strookjes van allerlei kleur.
Toen om twaalf uur de bel ging, bracht de zuster ons in een
lange rij, netjes met z'n tweetjes naast elkaar, naar het
schoolplein, waar moeders en meisjes al stonden te wachten.
Aan de hand van mijn zus gingen we naar de winkelier, die
elke week met paard en wagen kruidenierswaren thuis bezorgde
bij mensen die buitenaf woonden. Zijn winkel stond tegenover
de kerk. Hier was gelegenheid voor de kinderen van buiten
om hun boterham op te eten. Er was ook een grote stal, waar
de boeren, die 's zondags naar de kerk gingen, hun paard konden
stallen. Onder de bomen voor de winkel werden de paarden uitgespannen.
Na de kerkdienst stond voor de vrouwen de koffie klaar, terwijl
in het café ernaast de mannen hun borreltje pakten.
Om één uur waren we weer terug op school. We
mochten in de kloostertuin gaan wandelen. Er stonden prachtige
oude bomen. Het gras was kort gemaaid, maar wij moesten op
de paden blijven. Wij gingen op de banken zitten, die achter
in de tuin stonden en de zuster leerde ons een liedje zingen.
11
Toen om half vier de bel ging, bracht de zuster
ons weer naar het schoolplein, waar mijn zus al stond te wachten.
Ze stapte altijd flink door, maar nu was ik het, die steeds
aan haar hand trok, omdat het naar mijn zin nog te langzaam
ging. Toen de boerderij in zicht kwam, rukte ik me los en
rende naar huis. Mijn eerste schooldag was voorbij en had
wel een week geduurd. In een adem vertelde ik m'n moeder,
wat ik allemaal beleefd had. Na het avondeten kon ik m'n ogen
niet meer openhouden. Omdat het een vermoeiende dag geweest
was, bracht mijn moeder mij vroeg naar bed. Na het bidden
van het avondgebed, viel ik dan ook direct in slaap. Ik werd
pas wakker toen de volgende morgen m'n zusje naast mijn bed
stond en riep:
"Wakker worden. Het is tijd voor de kerk."
Om half acht gingen we die morgen van huis, want de mis begon
om acht uur. In de kerk zaten veel kinderen, maar ook veel
oude mensen. Er brandden overal kaarsen en af en toe rinkelden
kleine belletjes en dan ging iedereen staan. Er gebeurde weinig
en ik was blij dat het afgelopen was. Op school was het feest,
omdat er een kindje jarig was. Hij had een zak met snoepjes
meegebracht. Samen met de zuster deelde hij de koekjes uit.
Toen ik een maand naar school ging, hoefde ik niet meer aan
het handje te lopen, want ik wist dat ik op de stoep moest
blijven en bij het oversteken goed moest uitkijken.
Het was nu volop zomer en al een paar dagen broeierig warm
en in de namiddag, toen de kinderen bijna uitgedroogd waren
van de hitte, kregen we allemaal een lekker glaasje ranja.
Een keer in de maand mochten we in de kapel. Daar was het
mooi. Prachtige glas-in-loodramen. Schilderingen op de muren
en overal stonden rijk gekleurde heiligenbeelden. Zo zal de
hemel er ook uitzien, dacht ik. Met Maria Hemelvaart was het
processie. Simon, het jongetje dat naast mij zat, mocht verkleed
als pater meedoen. Ik liep ook in de optocht mee, maar ik
had alleen een palmtak.
In de grote vakantie speelden wij meestal buiten. Vlak bij
de boerderij aan de overkant van de weg, lag "de Berg". Zo
werd hij altijd genoemd. In werkelijkheid was hij niet hoger
dan vijf meter. Maar je kon er naar hartelust graven en spitten
in het gele zand. Achter "de Berg" in het dal lagen de akkers
met ertussen bosjes met kreupelhout waar veel varens groeiden.
Ze waren wel anderhalve meter hoog en we bouwden er mooie
hutten van.
Op een morgen was Louis, mijn speelkameraadje al vroeg op
de boerderij. Het was warm. Mijn moeder had een verrassing
voor ons.
1 2
Ze had boterhammen klaargemaakt en in een
knapzak gedaan en een volle fles aangelengde limonadesiroop
klaargezet.
"Nemen jullie dit maar mee, dan hoef je vanmiddag niet naar
huis te komen, want jullie hebben het nog zo druk, dat jullie
tijd te kort komen." Toen we haastig op weg gingen, riep mijn
moeder ons nog na: "Drink niet te snel je limonade op, anders
moet je van dorst nog naar huis komen om te drinken."
De dag tevoren hadden we op het hoogste punt van de berg
een diepe kuil gemaakt. Zo diep zelfs, dat we er bijna niet
meer uit konden. Daarom hadden we nu een touw meegenomen.
Omdat het gele zand in onze klompen kwam, deden we onze kousen
en klompen uit. We groeven eerst een dikke paal in de grond
en we bonden het touw aan de paal vast. Louis liet zich het
eerst aan het touw naar beneden zakken, maar klauterde weer
vliegensvlug omhoog, omdat er iets aan zijn voeten kriebelde.
Wat was het geval?
Gedurende de nacht waren muizen, bruine kikkers en padden
in de kuil gevallen en de beestjes konden geen houvast vinden
in de wand van rul zand. Telkens vielen ze terug, wanneer
ze hun pootjes in de wand zetten, omdat het losse zand niet
stevig genoeg was. Op de boerderij zouden we de muizen hebben
gedood, omdat het schadelijke dieren waren, maar hier golden
andere wetten. We besloten een sleuf te maken. Enkele meters
van de kuil begonnen we het zand weg te spitten, terwijl we
de gang steeds dieper maakten in de richting van de kuil.
Het laatste stukje gaf nog problemen. Soms kalfde de wand
een beetje in en kwamen de diertjes onder het zand te zitten.
De muizen konden er beter tegen dan de kikkers en padden.
Vol overgave werkten wij om ze te redden, want wij voelden
ons verantwoordelijk. Er was een soort band ontstaan tussen
ons en die diertjes daaronder diep in de kuil. Uiteindelijk
lukte het om de nooduitgang zo te maken, dat ze zich naar
boven konden werken, weg uit de diepe kuil. De muizen waren
het eerst boven. We lagen plat op onze buik en voor het eerst
zag ik wat een lieve diertjes muizen toch eigenlijk waren
toen ze vlak naar boven klauterden. Met de kin op de handen
1agen we daar, terwijl de muisjes naar hun vertrouwde plekjes
in het bos terugkeerden.
1 3
|